Marie! Ik zie van je af.
- skript-fgw
- 4 dagen geleden
- 4 minuten om te lezen

Terugblikkend op ons afgelopen Liefdesnummer staat Sabine Gieben in dit blog stil bij de liefdeszoektocht van de twintigste-eeuwse mens. Op zoek naar liefde voor de intrede van datingsapps: hoe ging dat eraan toe?
De nette jongedame die in 1918 via een krantenadvertie een ‘sergeant of hooger’ zocht, liefst met eigen fiets - zou ze hem gevonden hebben? En de dame in de witte japon, zou ze zijn ingegaan op het huwelijksaanzoek van de man in de kakikleurige jas met wie ze in 1925 in de trein naar Soekaboemi zat? Dit zijn dingen die ik me afvraag bij het lezen van de advertenties uit kranten rond 1900, die Mark Traa opdiept uit het digitale krantenarchief Delpher,[i] en publiceert op zijn Instagram-account ‘Liefde van Toen’.[ii] De doofstomme werkloze zal weinig kans hebben gemaakt op een rijk meisje. En de nette heer met 1000 gulden salaris en psoriasis lijkt me niet erg aantrekkelijk voor een rijk en vriendelijk meisje met dezelfde huidaandoening. En wat jammer dat de gedist., groote, zware, blonde Dame, die in 1932 op zoek was naar een ‘beslist gefortuneerd ouder heer’, de Heer met eigen landhuis die achttien jaar daarvoor op zoek was naar een corpulente dame of weduwe, is misgelopen!

En wat waren er vele stoute Maries. ‘Johan’ heeft zijn schuchterheid afgelegd in 1895, hij smacht! Hij brandt! Maar ook Jan wacht tussen drie en vier op Marie op de Botermarkt, met een grote witte roos op zijn jas. Een onbekende heeft te lang moeten wachten: ‘Marie! Ik zie van je af.’
Een swipeje naar links, een swipeje naar rechts, zo vis je tegenwoordig in de wereldwijde vijver naar een geschikte liefdeskandidaat. De partnerjacht was voor de uitvinding van het internet een stuk ingewikkelder. Hoe vaak hebben Jan en Johan kleumend bij de derde lantaarnpaal van links vergeefs op Marie staan wachten? En hoe kon je er zeker van zijn dat Marie geen verkapte sekswerker was, en Johan geen golddigger? En stel je voor dat je tijdens je rendez-vous per ongeluk een bekende tegenkwam! Voordat je het wist zat je aan een huwelijk vast om je reputatie te redden.
Via de krant kon je ten minste de eerste schreden op het liefdespad zetten zonder toeziend oog van je ouders. Voordat de kranten hun intrede deden, was de vijver een stuk kleiner. Wie in een klein dorpje woonde, moest zoenen met de anderhalve paardenkop die er in het dorp voorhanden was.
In Staphorst konden de meisjes zich wagen aan een potje venstervrijen alvorens een definitieve verbintenis aan te gaan. Oogluikend werd toegestaan dat lokale schoonheden hun vrijers ‘s nachts aan hun venster ontvingen. Na een ‘nachie praoten’ wist je meer. De dominee vond dit natuurlijk een verderfelijke gewoonte en verspreidde in 1920 nog een brochure dat ongeoorloofde gemeenschap ‘hoogst afkeurenswaardig’ was.[iii]
In minder strenge streken konden jongeren op de jaarlijkse kermis van alles uitproberen. De jaarlijkse Meidenmarkt bij Schoorl is al sinds 1573 een trefpunt voor ‘boertjes, spinsters en snollen, die van het hoge duyn afrollen’ aldus Janus van Schagen. Nog steeds verzamelen meisjes zich met Pinksteren boven op het zogenaamde klimduin. De jongens proberen naar ze toe te klimmen.
Er wordt volop geadverteerd door ‘lollige snaaken in het bezit van een automobiel en veel centen’, en door ‘vrolijke kippetjes’ die op andermans kosten naar de kermis willen.
Je kon wel lol maken op de kermis, maar duurzame romantiek was voor de gemiddelde onbemiddelde gewoonlijk niet weggelegd. Tot ver in de twintigste eeuw blijkt uit advertenties dat het economische motief doorslaggevend was. Wie tegenwoordig op een zaterdagochtend te midden van de trophywives door de PC Hooftstraat slentert, kan zich nog steeds niet onttrekken aan de indruk dat rijkaards een magnetische aantrekkingskracht hebben. Nu is de openlijke financiële overweging een taboe, maar rond 1900 kwamen adverteerders er rond vooruit dat ze op zoek zijn naar een wederhelft met een fortuin of een boerderij. En omgekeerd was het beslist noodzakelijk dat kandidaten goed konden melken of een goedlopend bedrijf hadden. Degelijke huishoudsters, liefst blond, waren zeer in trek. En uiteraard mocht een christelijke achtergrond ook niet ontbreken: voor de een is het ‘zonder katholieke achtergrond onnoodig te reageren’, een ander wilde ‘liever geen jooden’. Twee geloven op een kussen, daar slaapt de Duivel tussen.
Als aan alle economische, sociale en religieuze voorwaarden werd voldaan was een ‘klein gebr.’ (klein gebrek) of een jeugd. misstap een overkomelijke bijkomstigheid. Soms mocht voor de gezelligheid zelfs een eventuele schoonmoeder komen inwonen.

Tegelijkertijd werd er wel degelijk veel van elkaar gehouden en hartverscheurend naar elkaar gesmacht. ‘Frans keer terug; alles is vergeven. Je geklutste eitjes staan gereed.’ ‘Margot, kom terug, Jaapie kwijnt weg. Alles vergeven en vergeten.’ Frans en Margot moeten wel een hart van steen hebben gehad om niet spoorslags terug naar huis te hollen. ‘Madelon. Je beeld, dat mij voortdurend voor ogen staat, behoedt me voor alle verleiding - maar oh, Lieveling! Ik mis je zoo vreselijk’. Je ziet de eenzame vrijer helemaal voor je, met zijn strooien hoed in zijn hand. En wat deed Madelon? Rende zij met haar geliefde een vurige zonsondergang tegemoet? We zullen het nooit weten.

Personalia: Sabine Gieben is historica en journalist. Zij studeerde geschiedenis van 1983 tot 1989. In de jaren daarna werkte ze als journalist voor verscheidene kranten en bladen zoals de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en Vrij Nederland. Tegenwoordig is zij eerzaam huisvrouw.








Opmerkingen